Architectuurgids Delft

1200-1850: De ontwikkeling van de historische stad

De graaf van Holland verleent in 1246 stadsrechten aan de nederzetting Delft, bij een grafelijke hof. Delft wordt daarmee formeel een stad en krijgt zelfbestuur. De stad mag zelf recht spreken, bepaalde accijnzen en belastingen innen en een omwalling aanleggen.

 

Delft was in 1246 nog klein, maar ontwikkelde zich voorspoedig. Het gebied met stadsrechten werd nog enige malen uitgebreid, voor de laatste keer in 1355. De toen ontstane omvang bleef tot ver in de negentiende eeuw bestaan. Bebouwing buiten de omwalling bleef beperkt tot enige bebouwing langs de uitvalswegen, in het bijzonder langs de Buitenwatersloot.
Het grachtenstelsel en het stratenpatroon zoals we die nu kennen waren in 1355 al in hoofdzaak aanwezig. Behalve de stedenbouwkundige hoofdstructuur dateert ook de parcellering in belangrijke mate al uit de ontstaansperiode van de stad. Er werden percelen uitgegeven waarvoor men een erfhuur betaalde die gerelateerd was aan de erfbreedte. In de vijftiende eeuw kwam het tarief van 7,5 penningen, corresponderend met een perceelbreedte van circa 5,60 meter, het meest voor. Van de overige huispercelen was het merendeel breder, met uitschieters tot circa 9,50 meter. Het samenvoegen en op- en afsplitsen van percelen, poortjes, of de smalle druipstroken tussen de huizen zorgde op den duur voor een grotere differentiatie in vormen en afmetingen van de percelen.

 

De Markt was aanvankelijk een grote open ruimte ten oosten van de grafelijke hof, die tot het grafelijke gebied behoorde. Aan de oostzijde van het marktveld stond de graaf gedeelten af om de Nieuwe Kerk te kunnen vergroten en van een toren te voorzien. Het gasthuis aan de Koornmarkt en het Bagijnhof aan de Oude Delft vormden een soort enclaves in de stad. Na 1400 kwamen er nog het Sint Jorisgasthuis, het Oude Mannen- en Vrouwenhuis en verscheidene kloosters bij. Al deze complexen waren voorzien van een eigen kapel.

 

De grote stadsbrand

In 1536 werd Delft getroffen door een stadsbrand die circa driekwart van de stad, met daarin de belangrijkste bebouwing, in de as legde. Alle gebouwen, een enkele vroege renaissanceschepping misschien daargelaten, waren in gotische bouwstijl opgetrokken. De primitieve, geheel houten huizen uit de dertiende en veertiende eeuw, waren toen allang vervangen door stenen huizen. Enkele daarvan hadden misschien nog wel een houten voorgevel. Bij de herbouw na 1536 bleven de oude percelen in principe gehandhaafd. Kelders, funderingen en zelfs ook nog opgaand muurwerk werden waar mogelijk hergebruikt. De uitgebrande kerken hadden het relatief zware muurwerk behouden en konden worden hersteld en van nieuwe kappen worden voorzien.
De zestiende-eeuwse herbouwperiode kenmerkt zich door de overgang van late gotiek naar renaissance. De stedenbouwkundige structuur bleef gehandhaafd. Nieuwe ingrepen bleven beperkt tot de aanleg van de Boterbrug, een overkluisd dwarsgrachtje, en de aanleg van de Beestenmarkt ter plaatse van het Minderbroederklooster.

 

De Gouden Eeuw

In de zeventiende eeuw stonden er in Delft voornamelijk relatief jonge panden en was er geen grote behoefte aan nieuwbouw. Ook grote stadsuitbreidingen, zoals de toen zeer welvarende steden Amsterdam, Rotterdam en Leiden die kenden, vonden niet plaats. De Delftse panden kregen incidenteel een nieuwe voorgevel of werden op bescheiden wijze gemoderniseerd. Nieuwbouw beperkte zich tot gebouwen met een bijzondere functie, zoals het Armamentarium en de vleeshal, en uiteraard het stadhuis, dat na een verwoestende brand in 1618 door een nieuw gebouw werd vervangen. Een nieuw stedenbouwkundig element was de Lakengracht (later Raam genoemd), die in 1646 haaks op het Rietveld werd gegraven. Na de ontploffing van het kruithuis van de provincie Holland in 1654 werd de Paardenmarkt aangelegd en de Lakengracht tot de Kantoorgracht doorgetrokken. In de omgeving ervan verrees nieuwe bebouwing, voornamelijk bescheiden rijtjes en blokjes arbeiderswoningen, met als uitzondering het grote artilleriemagazijn van Holland tussen de Paardenmarkt en de stadswal.

 

Lijstgevels

De zestiende- en vroegzeventiende-eeuwse gevels hadden een kwetsbare decoratieve architectuur. Door invloeden van weer en wind was de technische staat ervan begin achttiende eeuw meestal zo verslechterd dat aanpassing of vervanging noodzakelijk was. Bovendien waren tegen die tijd nieuwe architectuurstijlen in de mode gekomen: de elkaar opvolgende zogenaamde Lodewijkstijlen. Sommige trapgevels verving men door een klokgevel, maar lijstgevels kregen de overhand. Soms volstond men ermee alleen het bovenste deel van een trapgevel af te breken en het dak aan de voorzijde af te schuinen. Vaak ook werd een nieuwe voorgevel gemetseld, en tegelijk de voorzijde van de zolder hoger opgetrokken en van een dwars schild- of zadeldakje voorzien. Daardoor kreeg het pand ogenschijnlijk een verdieping meer dan de hoofdstructuur feitelijk bezit. Met noemt zo’n verhoging wel een ‘leugenaar’. Vooral wanneer panden werden samengevoegd kwam er een nieuwe voorgevel, zoals bij de Waag, het Boterhuis en de Stadsleenbank, ontworpen door Nicolaas Terburgh in zijn functie van stadsfabriek, te vergelijken met een combinatie van hoofd openbare werken en stadsarchitect. Slechts enkele zeer grote panden werden geheel nieuw opgetrokken, zoals Oude Delft 95 en 205 en het Meisjeshuis.

 

Het vervangen van bouwvallig geworden oude trap- en andere topgevels, al dan niet gecombineerd met het toevoegen van een verdieping, ging in de negentiende eeuw op forse schaal door. Vrij veel gevels werden in de eerste helft van die eeuw gemoderniseerd in een van de varianten van het neoclassicisme, zoals de empirestijl. Vooral het gebruik van de zogenoemde empirevensters, met grotere ruiten, was lang in trek. De lijstgevel werd bepalend voor het stadsbeeld en raakte eigenlijk nooit meer uit de gratie. Hij wordt nog steeds toegepast als het gaat om architectuur die past in het beeld van de historische stad.

Zoek gebouwen in Delft
Periode
Kaart
zoeken op de kaart