Architectuurgids Delft

1850-1900: Spoorweg en industrialisatie veranderen de stad

In de tweede helft van de negentiende eeuw klimt Nederland, en ook Delft, uit een economisch dal. De aanleg van het spoornetwerk en de opkomende industrie zijn belangrijke katalysatoren voor stedelijke ontwikkeling. Specifiek voor Delft zijn de militaire werkplaatsen en de ontwikkeling van de Polytechnische School belangrijk.

 

Spoor

In Delft was de bijzondere omstandigheid dat de spoorlijn in 1847 vlak langs en evenwijdig aan de stadswal werd gesitueerd. Er werd niet, zoals elders vaak het geval, ruimte gecreŽerd voor een nieuwe spoorwijk tussen het station en de binnenstad. De monumentale stadspoort bij de Buitenwatersloot week voor het allereerste station. Door de spoorlijn veranderde de westelijke rand van de binnenstad letterlijk van een achterkant met stallen en schuurtjes in een voorkant. Klein en groot(s) staan nog steeds naast elkaar. Er kwam een bebouwing tussen de Phoenixstraat en de spoorlijn, die profiteerde van het zien en gezien worden. Deze rij huizen werd gesloopt na de aanleg van het spoorwegviaduct (1960-1965), waarvoor ook de Westsingelgracht is gedempt.

 

Industrialisatie

In 1885 werd het station 250 meter in zuidelijke richting opgeschoven om ruimte maken voor een spoorhaven en een overslagterrein, naast de Rijksconstructiewerkplaatsen aan de Van Leeuwenhoeksingel, de grootleverancier van allerlei militaire goederen aan het Nederlandse leger. De spoorhaven diende vooral voor de overslag van groente uit het Westland en van steenkool. Het nieuwe logistieke knooppunt bracht groothandel op gang, die nu nog zichtbaar is in de vorm van pakhuizen aan de Buitenwatersloot.
De spoorzone, vooral het deel dat grensde aan binnenvaartwater, was een ideaal vestigingsklimaat voor nieuwe industrie, zoals de Nederlandsche Gist- en Spiritusfabriek uit 1870 en de metaalfabriek F.W. Braat N.V. Aan de zuidkant van de binnenstad had zich al in 1855 een gasfabriek gevestigd. Al deze complexen bestonden uit monumentale bakstenen gebouwen met hoge schoorstenen.


In 1894 werd op basis van de bestaande waterstructuur het ruime Rijn-Schiekanaal gegraven langs de oost- en zuidkant van de stad. Wat betreft de industriŽle ontwikkeling profiteerde Delft van het feit dat hier veel ingenieurs woonden, onder wie J.C. van Marken. Bestaande wegkwijnende industrie, zoals aardewerkfabriek De Porceleyne Fles, werd nieuw leven ingeblazen door met nieuwe productietechnieken nieuwe decoratieve bouwproducten te ontwikkelen.

 

Stadsuitbreiding en stadsvernieuwing

De eerste stadsuitbreiding buiten de singels werd op Delfts grondgebied gerealiseerd in het Westerkwartier. Daar lagen allerlei tuinen en buitenplaatsjes. Gemeentearchitect C.J. de Bruyn Kops tekende er in 1878 een schematisch stratenplan voor, gebaseerd op de structuur van bestaande paden, lanen en sloten. Hier werd een levendige volksbuurt gebouwd. Nog steeds zijn er, ondanks de stadsvernieuwing en slechte (geluids)isolatie, veel oorspronkelijke huisjes over, uitgebouwd of samengevoegd.
Andere uitbreidingen buiten de singels kwamen tot stand op grondgebied van de gemeenten Vrijenban en Hof van Delft. Beide gemeenten bouwden een gemeentehuis met het voorkomen van een statig buitenhuis waarmee ze probeerden nieuwe inwoners te lokken. In 1921 gingen deze gemeenten op in Delft, Schipluiden en Pijnacker. Achter de Spoorsingel verrees de Olofsbuurt, met een chaotisch patroon. Straten liepen niet altijd door, hetgeen werd veroorzaakt door bestaande losse bebouwing en verknipt grondeigendom. De beschikbare grond werd zonder groter plan door aannemers en ontwikkelaars bebouwd met arbeidershuisjes.
In de bestaande stad werden panden individueel vervangen. Vaak betrof het verbouwingen of vervanging van alleen de gevel, in een modieuze neostijl en helemaal aan het einde van de eeuw in zwierige art deco. Het rijk gedecoreerde winkelwoonhuis maakte opmars met de toenemende welvaart, en er ontstonden winkelstraten.
In de stad werden grachten om hygiŽnische redenen gedempt, maar ook om meer ruimte te maken voor handel. In 1860 kwam er zo op de Burgwal een schapen- en varkensmarkt. In 1899 dempte men de Nieuwe Langendijk, die een verkeersader werd toen de Koepoortbrug ter hoogte van de Vlamingstraat in 1936 werd verplaatst naar de Nieuwe Langendijk.

 

Polytechnische School

Tussen de Oude Delft en de Westvest ontwikkelde zich het complex van de Polytechnische School. Deze was voortgekomen uit de militaire Artillerie- en Genieschool, die verhuisde naar Breda. In Delft kwam er in 1842 een civiele opleiding voor in de plaats, de Koninklijke Academie, die vanaf 1864 veranderde in de Polytechnische School. Het hoofdgebouw was gevestigd aan Oude Delft 95. In zuidelijke richting werden belendende gebouwen aangekocht en verbouwd. Aan de Westvest kwamen twee nieuwe gebouwen. Verschillende afdelingen deelden gebouwen.
Verscheidene hoogleraren bouwkunde en hun assistenten lieten hun sporen na in Delft, E.H. Gugel (Agnetapark, Westvest 7), Adolf le Comte (Museum Lambert van Meerten), Th.K.L. Sluyterman (collectie en interieur sociŽteit Phoenix) zijn de bekendste.
Belangrijke figuur in het Delftse architectuurklimaat in die tijd was de gemeentearchitect, de al even genoemde ontwerper van het Westerkwartier, De Bruyn Kops. Hij ontwierp tussen 1856 en 1891 meerdere scholen en dienstwoningen bij gemeentelijke instellingen. Kerken werden ontworpen door gespecialiseerde architecten uit Den Haag en Rotterdam. Een laatste architect uit die tijd die veel op zijn naam heeft is Gregorius van der Kaaden, een eclecticus die in alle stijlen thuis was.

Zoek gebouwen in Delft
Periode
Kaart
zoeken op de kaart