Architectuurgids Delft

1900-1945: Een nieuwe kijk op stadsesthetiek

Ook in Delft neemt de moderne tijd een bescheiden vlucht. De industrie groeit, de verkeersmachine explodeert en de stadsuitleg krijgt een grootschaliger karakter. Toch blijft Delft een kleine, weinig welvarende industriestad, ondanks de bloei van de Technische Hogeschool en ondanks Van Markens utopische Agnetapark.

 

Aan het begin van de twintigste eeuw typeerde stadsingenieur Jan de Booij Delft als ‘een slecht bewoonbare gemeente, die door vele hare bewoners zoo gauw mogelijk weer wordt verlaten’. De biochemische en levensmiddelenindustrie bezorgden Delft een slechte naam vanwege de ‘stadslucht’. Er was een tekort aan stadsgroen en de vanouds welvarende stadsdelen, zoals de binnenstad, vertoonden een in onze moderne ogen moeilijk voor te stellen fysieke slijtage.

 

Behoudende aanpak

In de Delftse stedenbouwgeschiedenis liggen conservatisme en modernisme vaak opmerkelijk dicht bij elkaar. Toen de Oude Delft dreigde te worden gedempt ten behoeve van de elektrificatie van de tram, leidde de halsstarrigheid uit ‘Heemschutkringen’ tot de inschakeling van een adviescommissie. Deze Commissie voor de Stadsuitbreiding, met coryfeeën als H.P. Berlage, wees Delft in 1921 zonder pardon de weg van de moderne stedebouw.  
Ondanks, of misschien wel dankzij de behoudende aanpak, heeft Delft uit deze episode enkele uitermate duurzame stadsdelen geërfd. Soms van een ongekend hoog architectonisch niveau, zoals de uitbreiding van het Agnetapark door Gratama of Gijzens Rijneveldbrug. Maar veel vaker is architectuur een uiterst bescheiden factor en is het erfgoed vooral van stedenbouwkundige waarde. 
In schril contrast met de dynamiek buiten de stadssingels verkeerde de gehele binnenstad in de eerste helft van deze eeuw in relatief grote rust. De sloop- en doorbraakgekte, die veel steden beving, ging aan Delft voorbij. Hier en daar werd een stukje gracht gedempt, de Nieuwe Langendijk in 1898 en de Raamgracht in 1915. De bescheiden verbreding van de Peperstraat in 1939 was de aanzet voor een verkeersdoorbraak dwars door de binnenstad. Daar werd na de oorlog wijselijk van afgezien.

 

Slaolie-stedenbouw (1900-1920)

Sneller dan veel andere steden gaf Delft gehoor aan de verplichting tot het opstellen van een uitbreidingsplan, zoals vastgelegd in één van de eerste sociale wetgevingen in Nederland, de Woningwet van 1901. Dat stedenbouw een voorwaarde is voor goede volkshuisvesting beschouwde Delft sinds Van Markens Agnetapark kennelijk als gemeengoed. Al in 1908 diende M.A.C. Hartman, van 1891 tot 1917 gemeentearchitect, zijn ambitieuze plan in. Ambitieus, omdat hij ver over de toenmalige gemeentegrenzen heen keek. Delft werd in die tijd nog bekneld door twee randgemeenten: Hof van Delft aan de westzijde en Vrijenban aan de noordzijde. Vooruitlopend op een langgekoesterde wens om deze gemeenten te annexeren, tekenende Hartman zijn planconcept over de gemeentegrenzen heen. Dat wordt duidelijk als zijn deelplannen uit de periode 1908-1915 aan elkaar worden gemonteerd. Hartmans stedenbouw blijkt dan over twee kwesties te gaan: verkeer en esthetiek. Beide mondden uit in een ‘slaolie-stedenbouw’, genoemd naar de in Delft geboren term voor Hollandse jugendstil. Hartman sluit daarmee letterlijk aan op de romantisch-pittoreske enscenering van Zochers Agnetapark. In organische belijningen schetst Hartman zowel de tracés van nieuwe gordelwegen alsook verrassende stratenpatronen voor de verschillende stadskwartieren. In het organische vormpatroon tracht hij alle schaalniveaus te integreren. Delft dank aan zijn soepele hand onder meer het tracé van de Van Miereveltlaan, toen de oostelijke gordelweg, én het fraaiste deel van de huidige TU-Delft campus.

 

Eenheid in veelheid (1920-1945)

De Commissie voor de Stadsuitbreiding, haalde in 1921 niet alleen een streep door het onzalige plan tot demping van de Oude Delft, maar zette ook een radicaal andere stedenbouwkundige toon. Haar pleidooi voor een sterkere rol van de gemeente leidde tot de benoeming van een gekwalificeerde stadsingenieur: Jan de Booij (1886-1955). Maar de commissie introduceerde ook een andere kijk op stadsesthetiek, blijkt uit de gedetailleerde plankaart die de commissie ongevraagd op tafel legde. Die kaart verraadt de hand van architect en stedenbouwpionier H. P. Berlage. Zijn devies was ‘eenheid in veelheid’. Stadsesthetiek moet een factor zijn ‘tot nut van het algemeen’, een voorbode van een bestendige toekomst waarin geen plaats meer is voor sociale kloven. Dan wordt de stad een totaalkunstwerk, aldus Berlage.
De invloed van deze stadsesthetische benadering op het Delftse werk van De Booij blijkt uit zijn uitbreidingsplan (1928) voor de Hof van Delft, het noordwestelijke stadskwartier. Behoudens het sierlijke parkway-tracé voor de westelijke randweg zijn alle slaolielijnen van Hartman vervangen door een strak hiërarchische stelsel van orthogonale en diagonale straten en pleinen. En de vele lastig te verkavelen taartpunten maakten plaats voor rationele bouwblokken. Hier gold kennelijk een evident en onverbiddelijk primaat van de stedenbouw, een kader waarbinnen tientallen anonieme bouwmeesters exact begrepen wat er van hen werd verwacht. Een hoogtepunt van duurzame stedenbouw.

Zoek gebouwen in Delft
Periode
Kaart
zoeken op de kaart