Architectuurgids Delft

Empire en neoclassicisme, 1800-1870

Neoclassicisme: naar monumentaliteit en eenvoud strevende architectuur. Hernieuwde oriŽntatie op juiste klassieke principes en vormen, vooral geÔnspireerd door herontdekking van gebouwen uit de Griekse oudheid.

 

De architectuur in het begin van de negentiende eeuw wordt bepaald door het neoclassicisme: een stijl die zeer lang, tot rond 1870, in gebruik blijft. De eerste fase ervan, tussen 1800-1820, wordt aangeduid als empire, genoemd naar het toen in Europa overheersende Franse keizerrijk. De voorafgaande Lodewijk XVI-stijl gaat daarin vloeiend over, de daarin al aanwezige klassieke teneur wordt steeds krachtiger. Enkele belangrijke architecten waren Jan de Greef, Zeger Reijers en J.D. Zocher. De sinds de late achttiende eeuw herontdekte voorbeelden uit de Griekse oudheid, in het bijzonder de grote tempelcomplexen, zijn van beslissende invloed geweest op het neoclassicisme.

 

Het ideaal werd het Griekse tempelfront: een ‘portico’ met voor de eigenlijke gevel vrijstaande zuilen. Vooral in de periode tussen 1820 en 1850 vierde deze strikte toepassing, ook wel neogrec genoemd,  hoogtij. In Delft is een duidelijke, overigens late navolging daarvan, het front van de voormalige synagoge uit 1862 aan de Koornmarkt (zie illustratie). 

 

De bel-etage

Er wordt bewust gestreefd naar een rustige hoofdvorm, naar regelmaat en symmetrie, en juiste, klassieke verhoudingen. Decoratie wordt soms tot een minimum beperkt, de nadruk komt vooral te liggen op de gevelgeleding en –compositie. Bij woonhuizen krijgt deze een driedelige opbouw met een  lage onderverdieping als basement, daarboven een hoge bel-etage (de hoofdwoonverdieping), en een lage bovenverdieping. Deze laatste kan onder de eigenlijke kroonlijst zijn geplaatst als zogenaamde mezzanine, of juist erboven als attiek. Opvallend is dat de nagestreefde ideale verhoudingen leiden tot voor Nederlandse begrippen vrij gesloten, massief overkomende gevels. Niet het vensteroppervlak, maar dat van het muurwerk overheerst; muurdammen zijn soms zelfs breder dan de vensteropeningen.

 

Het empirevenster

Tot een rustig beeld dragen ook de vanaf rond 1800 gebruikelijke empirevensters bij, verticaal in twee ruiten verdeeld. De bij dit venstertype opvallend brede middenstijl is consistent met de ‘klassieke’ forsheid van deze architectuur. Het witpleisteren van gevels wordt in deze periode gebruikelijk. Vaak is in het pleisterwerk een blokverband gegroefd als suggestie van een natuursteen gevel. Voorbeeld daarvan is het pand Oude Delft 87-91. Andere voorbeelden van neoclassicisme zijn het pand Oude Delft 19-21 en Kanaalweg 1. Het eerste pand is opvallend zwaar van verhoudingen, met brede muurdammen; het tweede toont de voor deze stijl karakteristieke, forse rechthoekige vensteromlijstingen.

Zoek gebouwen in Delft
Periode
Kaart
zoeken op de kaart