Architectuurgids Delft

Neogotiek, 1830-1910

Neogotiek: negentiende-eeuwse architectuur die inspiratie zoekt in de middeleeuwse gotische bouwkunst. Voorbeeld daarvoor is aanvankelijk de late Engelse gotiek, later vervangen door de Franse gotiek van de twaalfde en dertiende eeuw, en door eigen Nederlandse voorbeelden.

 

Sinds het eind van de achttiende eeuw, de tijd van de romantiek, werd overal in Europa de eigen middeleeuwse bouwkunst herontdekt. De vroege neogotiek in Nederland heeft tot rond 1850 nog een duidelijk romantisch beÔnvloed, pittoresk karakter. Ze is vooral gericht op Engelse voorbeelden van de vijftiende- en zestiende-eeuwse tudorgotiek, herkenbaar aan de specifieke detailvormen daarvan. Vaak lijken gotische vormen ‘geplakt’ op een klassiek gevelschema, deze indruk wordt meestal nog versterkt door het witpleisteren van de gebouwen.

 

Latere generaties neogotische architecten noemden deze stijl denigrerend ‘stukadoorsgotiek’, een scheldwoord ontleend aan het feit dat men het metselen van stenen ribgewelven in die tijd nog niet beheerste, en deze als surrogaat uit pleisterwerk vormde. Maar de vroege generatie architecten gebruikte wel moderne materialen en bouwcomponenten, in het bijzonder gietijzer, voor dragende zuilen en venstertraceringen. Deze vroege neogotiek is in Delft hier en daar zichtbaar in details. Het huis in het Kalverbos, een witgepleisterde villa, heeft boven de vensters rechthoekig omgezette, geprofileerde tudorwaterlijsten.

 

Constructieve neogotiek

Architecten van latere generaties wisten wel hoe ze ‘middeleeuws’ konden construeren met stenen ribgewelven. Al vanaf het tweede kwart van de eeuw vormde zich een krachtige oppositie tegen deze romantisch-pittoreske neogotiek. Deze internationaal brede beweging had daarvoor dankzij onderzoek een stevig onderbouwde basis gelegd. Vooral de Franse architect en theoreticus Viollet-le-Duc speelde hierbij een belangrijke rol. Benadrukt werden de in de ‘werkelijke’ gotiek veronderstelde constructieve rationaliteit en de eerlijkheid van zichtbaar gelaten bouwmaterialen. Deze zogenaamde constructieve neogotiek werd kort na 1850 in Nederland geÔntroduceerd. Grote promotor ervan was de architect en Viollet-le-Ducs leerling P.J.H. Cuypers. Mede door zijn toedoen was vanaf 1850 de inspiratiebron vooral de twaalfde- en dertiende-eeuwse Franse gotiek. In het laatste kwart van de  negentiende eeuw werd de inspiratie daarnaast ook gezocht in de eigen Nederrijnse en Brabantse late gotiek van de vijftiende en zestiende eeuw. Materiaaltoepassing bestaat hoofdzakelijk uit veelkleurige baksteen. Natuursteen wordt alleen gebruikt voor zwaar belaste dragende onderdelen en voor fijn gebeeldhouwde details, zoals zuilen, deurlateien en traceringen. Enkele andere belangrijke architecten waren naast Cuypers: N. Molenaar, A. Tepe en E.J. Margry.

 

Kathedraalgotiek

Het beste voorbeeld van deze constructieve neogotiek is de Maria van Jessekerk aan de Burgwal van E.J. Margry (zie illustratie). Zijn grote voorbeelden waren duidelijk de grote Franse kathedralen. Dat blijkt uit het opvallende tweetorenfront, met de om de rechtertorenspits geplaatste kleine hoektorentjes, en de grote spitsboog met in de top een roosvenster. Verder tot in de kleinste details typerend daarvoor zijn de drie portalen, met in hun afgeschuinde portaalwangen slanke natuurstenen kolonnetjes die rijke boogprofileringen dragen.
Voorbeelden van een anders getinte neogotiek zijn de voormalige TU-gebouwen aan de Kanaalweg 2b en Kanaalweg 4 van rijksbouwmeester J.A. van Lokhorst. Het tweede gebouw is, met zijn speklagen van kleurige baksteen en in getrapte negges geplaatste vensters, verwant aan de zogenaamde ‘postkantorengotiek’ van zijn collega C.H. Peters. Voorstraat 27 is een voorbeeld van laatgotisch beÔnvloede woonhuisarchitectuur, met kielboogvormige druiplijsten boven de vensterboogjes.

Zoek gebouwen in Delft
Periode
Kaart
zoeken op de kaart