Architectuurgids Delft

Stad van kerken en kloosters

In de middeleeuwen speelt de rooms-katholieke kerk in West-Europa een grote rol in de maatschappelijke organisatie. Het dagelijkse leven richt zich geheel naar de kerkelijke kalender, en de kerkelijke geboden bepalen het onderscheid tussen goed en kwaad. De kerk bezit ook wereldse macht en heeft grondbezit dat met wapengeweld wordt verdedigd. Maar in de Delftse contreien is dit niet aan de orde.

 

De kerk is in de West-Europese bouwkunst een belangrijke opdrachtgever en als zodanig verantwoordelijk voor de verspreiding van enkele elkaar opvolgende architectuurstijlen. In tegenstelling tot huizen, waarvoor tot ver in de vijftiende eeuw hout het gebruikelijke bouwmateriaal is, worden kerken al heel vroeg in steen opgetrokken. Dat vergt veel kennis en kunde en ze worden dan ook door de beste bouwmeesters ontworpen. Het aantal inwoners van een stad bepaalt de grootte en het aantal parochiekerken. De kerkbouw wordt gefinancierd door de lokale gemeenschap en is daarmee een afspiegeling van de welvaart. De kerken, en vooral hoge kerktorens, zijn daarom ook een statussymbool van een gemeenschap.

 

Hoogste toren

De rond 1200 gestichte Oude Kerk, eerst gewijd aan Sint-Bartholomeus, en later aan Sint-Hippolytus, groeide uit tot een grote parochiekerk. Tussen 1325 en 1350 kreeg de kerk een forse toren, de hoogste in de wijde omtrek. Hij valt op door de gemetselde spits en vier hoektorentjes. De stad groeide en in 1383 werd begonnen met de bouw van een tweede parochiekerk, de Nieuwe Kerk, gewijd aan Sint Ursula. De toren van deze kerk verrees tussen 1396 en 1496 en werd nog hoger dan die van de Oude Kerk.
De rond 1500 begonnen uitbreidingscampagnes van beide parochiekerken werden onderbroken door de stadsbrand van 1536. Beide kerken brandden daarbij uit en werden daarna hersteld. De al in uitvoering zijnde uitbreidingsplannen stagneerden echter en enige decennia later. Met de komst van de reformatie, deden ze dat definitief.

 

Kapellen

Ten zuiden van de stad stichtte jonkvrouwe Ricardis in 1252 het klooster Koningsveld. Van daaruit werd datzelfde jaar aan de Koornmarkt een gasthuis gesticht, het eerste ziekenhuis in ons land. Overigens bood het gasthuis ook onderdak aan zwervers. In 1286 werd het Bagijnhof gesticht. Pas vanaf circa 1400 kwamen er, als gevolg van de religieuze opleving van de Moderne Devotie, in de binnenstad verscheidene kloosters. Er werden ook een tweede gasthuis (het Sint-Jorisgasthuis), een Oude Vrouwenhuis en een Oude Mannenhuis gebouwd en ook nog een Heilige Geestzustershuis, waarvan de zusters zieken thuis bezochten en verzorgden. De kloosters vormden vooral een gebedsgemeenschap, maar vervulden vaak ook een sociaal-maatschappelijke functie. Al deze complexen hadden hun eigen kapel, noodzakelijk voor het zielenheil van de bewoners. In 1500 stonden er maar liefst zeventien kapellen binnen de omwalling.

 

 

Reformatie

De meeste kerkelijke gebouwen verloren hun religieuze functie in 1572 als gevolg van de reformatie. Ze kwamen in handen van de stad. De Oude en de Nieuwe Kerk, de Gasthuiskerk en de kapel van het Sint-Agathaklooster werden overgenomen door de protestanten en bleven voor de eredienst in gebruik. De kapel van het Sint-Agathaklooster werd Waalse kerk waarin Frans de voertaal was, en nu nog steeds is. De overige kapellen werden afgebroken, behalve de kapellen van de complexen met een maatschappelijke functie. Die kapellen werden verbouwd en kregen een tussenvloer, zodat ze konden worden gebruikt voor de huisvesting van weeskinderen, oude mannen of oude vrouwen, of voor de opslag van oorlogsgoederen, zoals kanonnen en ander wapentuig.


De vroegere aanwezigheid van tal van kerkelijke complexen kan nog steeds in de stad worden ervaren omdat delen ervan behouden zijn gebleven, en in één geval omdat ter plaatse ervan in 1595 een plein werd aangelegd: de Beestenmarkt. Dit markeert nog steeds de locatie van het Minderbroedersklooster in de stad.

Zoek gebouwen in Delft
Periode
Kaart
zoeken op de kaart