Architectuurgids Delft

Sleutelprojecten van het interbellum, 1928-1931

Aarzelend meet Delft zich in het interbellum een nieuw kleed aan. Het moderniseert zich behoedzaam. Een belangrijk project is de Haagweg, een nieuw verkeerstracé, met als markante schakel de nieuwe Reineveldbrug, ontworpen door Wilhelm Gijzen (1892-1945).

 

Aan zijn genie dankt Delft een subliem en tijdloos stukje stad met als hoogtepunt het brugwachtershuisje, dat als een kabouterpuntmuts de brug siert, een echte ankerplaats voor het collectieve geheugen. Bij de opening van de brug, in 1931, was Delft flink onder de indruk. Al snel nam de jeugd de brug in gebruik als duikplank. Tegenwoordig is zwemmen verboden en is de stad al lang aan de grote proporties gewend. Maar de ‘puntmuts’ markeert nog altijd de landschappelijke dimensie van het project. Hij maakt de brug monumentaal, zonder groteske proporties: een monument van moderniteit.

 

 

Delftsche Tramquestie

De ‘Haagwegwerken’, een gezamenlijk project van Delft, Rijswijk en Den Haag, waren gericht op verkeersverbetering en op elektrificatie van de Haagsche Tram. Delft was verantwoordelijk voor alle werken van Delft tot en met de Hoornbrug in Rijswijk. Aan het hoofd van het projectbureau stond de voortvarende ingenieur Jan de Booij, directeur van Openbare Werken van de gemeente Delft. Meteen na zijn aanstelling, begin jaren twintig wist hij een hardnekkig dilemma op te lossen. In die tijd reed al het verkeer tussen Den Haag en Rotterdam, inclusief de tram, nog dwars door de stad, via de Oude Delft. Elektrificatie had als consequentie dat de Oude Delft zou moeten worden gedempt. Haagse ingenieurs zagen in die tijd het dempen van grachten als een ultieme daad van stadsverbetering, maar in Delft leidde dit tot heftig verzet. De ‘Delftsche Tramquestie’ kreeg zelfs landelijk weerklank. De Booij kwam met de oplossing: omleggen van het tramtracé over de westelijke vestingwal, in combinatie met de nieuwe verkeersweg.

 

 

Wateringse Vest

Al vanaf het begin van de twintigste eeuw tobde Delft met de verbetering van het intercommunale verkeer. Verschillende voorstellen voor westelijke en oostelijke randwegen werden gelanceerd. Maar pas in 1921, toen de randgemeenten Hof van Delft en Vrijenban werden geannexeerd, kreeg de stad ruimte voor dergelijke randwegen. De eerste maatregel betrof het tracé van de Nieuwe Haagweg. Cruciale schakel in dit tracé is een nieuwe hoge verkeersbrug over de druk bevaren binnenscheepvaartroute. Deze brug moest een lage draaibrug vervangen, die veelvuldig en langdurig open stond en voor veel oponthoud zorgde. Een hoge trambrug vraagt echter om flauwe hellingen, dus lange opritten. In de oude weg, die vlak langs de Delftse Vliet liep, was dit niet te realiseren. Daarom werd het tracé in een wijde boog omgeleid, en aangesloten op de Insulideweg, het begin van de oostelijke randweg. Vanaf dat punt snijdt het tracé door het parklandschap aan de noordzijde van de binnenstad, dwars door het achttiende-eeuwse  Kalverbos én door de Nieuwe Plantage. Om de weg een iets vloeiender verloop te kunnen geven werd iets verder zuidwaarts een hoek van de historische binnenstad afgesneden. Zo ontstond de Wateringse Vest.

 

Landschappelijke allure

De vormgeving van de brug werd opgedragen aan architect Wilhelm Gijzen, vanaf 1929 hoofd van de Afdeling Haagwegwerken. Hij ontwierp de bruggehoofden in een fraaie baksteenarchitectuur en maakte van de bewegende delen van de basculebrug een fraai staaltje ingenieurskunst. De lange brugopritten kregen een bijzondere landschappelijke allure, met aan weerszijde een statige laanbeplanting. Gijzen schrijft hierover in 1932: ‘De taluds zijn bekroond met rijen populieren, waardoor de groote hoogte van den dijk nog enigszins geaccentueerd wordt’. In zijn fraaie perspectieftekening komen deze bomen dan ook goed tot hun recht. Door deze landschappelijke ingreep slaagde Gijzen erin om het arcadische gebied te doorsnijden zonder het te beschadigen. In tegendeel, het werd erdoor verijkt. Gijzen wist zo alle onderdelen tot één totaalkunstwerk samen te smeden.

 

Kabouterpuntmuts

Binnen dit totaal kreeg één detail bijzondere aandacht: de kabouterpuntmuts. Dit werd de icoon van de Haagwegwerken. Gijzen verwoordde dit als volgt: ‘Bijzondere zorg is besteed aan het aesthetische gedeelte van het werk. Gedacht is om het centrale punt van waaruit de brug bewogen wordt, namelijk het bedieningshuisje, ook in de architectuur belangrijk te laten mede spreken’.(…) De architectuur is met het oog op de omgeving en vanwege de grote afmetingen der onderdelen, zoo sober mogelijk gehouden. Het brugwachtershuisje geeft even de menschelijke schaal aan. Dit huisje is dan ook (. . .) niet zuiver ‘zakelijk’ gehouden, doch iets meer verfijnd behandeld.’
Het Delftse bedrijfsleven, in de persoon van dr. F.W. Waller, betoonde zich een warm pleitbezorger voor het verkeersproject en leverde ook een stevige financiële bijdrage. Waller volgde in 1906 J.C. van Marken op als leider van De Delftsche Nijverheid, met onder meer de Nederlandsche Gist- en Spiritusfabriek en Calvé. Zijn naam leeft nog altijd voort in de fraaie Wallertuin aan de voet van Gijzens brug. Ook de Gemeente Delft leverde een fors financieel aandeel. Dat kon grotendeels worden bekostigd uit opbrengsten van de lucratieve tol die de gemeente vóór de oorlog bij de Haagweg exploiteerde. Deze tol is sinds lang verdwenen, maar de brug zal veel tijden weten te overleven.

 


Zoek gebouwen in Delft
Periode
Kaart
zoeken op de kaart