Architectuurgids Delft

Een imposant en functioneel universiteitsterrein

De stedenbouwkundige opzet en de architectonische rijkdom van de naoorlogse TU-wijk is volledig in overeenstemming met de landelijke betekenis van de Delftse  onderwijsinstelling. Deze grootscheepse uitbreiding van de Technische Hogeschool Delft kreeg na de oorlog de hoogste prioriteit, aangezien ingenieurs onmisbaar waren voor de wederopbouw en industrialisatie van Nederland.

 

Vanaf 1948 verrezen aan weerszijden van de Mekelweg en langs de Rotterdamseweg in hoog tempo het ene na het andere laboratorium en faculteitsgebouw. De centrale ligging van de Mekelweg springt daarbij direct in het oog. Kloeke faculteitsgebouwen vormen hier het kader van een middenstrook met een on-Hollandse allure, in breedte variŽrend van 75 tot 100 meter. Het sluitstuk hiervan, het gebouw voor Bouwkunde, ging in mei 2008 op tragische wijze in vlammen op. Protesten uit de architectenwereld tegen de sloop van drie andere gebouwen van Van den Broek en Bakema (Metaalkunde, Metaalinstituut en  het Laboratorium voor warmte en stoftechniek) kwamen pas op gang in 2004, toen de sloopvergunning reeds verleend was.

 


 

Vooruitstrevend beeldmerk

De oorspronkelijke rijweg was asymmetrisch in het profiel van de Mekelweg gelegd en werd begeleid door grote bomen. In noordelijke richting is er een zichtlijn naar de toren van het toenmalige hoofdgebouw van de Technische Universiteit aan de Julianalaan. De Mekelweg werd aan de zuidzijde op een natuurlijke wijze beŽindigd door een knik in de weg, alwaar zich bovendien een dichte boommassa bevindt.
Alle gebouwen aan de Mekelweg zijn van een hoge architectonische kwaliteit. Eruit springen de vooruitgeschoven aula en de hoogbouw van de faculteit van Elektrotechniek. De roodblauwe kopgevels werken voor de TU Delft en de stad nog altijd als een vooruitstrevend beeldmerk.
De inrichting van de Mekelweg was oorspronkelijk lineair geordend, met voor elke verkeersdeelnemer zijn eigen baan. Aan de oostzijde lagen ruime verdiepte parkeerterreinen, omzoomd door bosschages. De monumentale opzet van de Mekelweg is op een geraffineerde wijze gecombineerd met de functionele eisen van een dergelijk terrein. Hiertoe is het zogenaamde schaatsmodel toegepast. In noord-zuidrichting wisselen parallelle straten met voorkanten van gebouwen, zoals Rotterdamseweg, Mekelweg en Schoemakerstraat, en straten met achterkanten van gebouwen elkaar af. De ligging van de oost-west dwarsstraten zijn vervolgens afgestemd op de grootte van de verschillende faculteitsgebouwen.

 

 

Tuinstadwijk

Het kan niet anders dan dat aan een opgave van een dergelijke importantie verschillende ontwerpers hebben gewerkt, waarvan de inbreng bovendien niet steeds exact is vast te stellen.
In een uitvoerige beschouwing in het blad Bouw blikte Jo van den Broek in 1971 terug op de stedenbouwkundige planning van de Technische Hogeschool Delft. Op dat moment was het aantal studenten sinds de oorlog al bijna verdrievoudigd tot elfduizend. Uit Van den Broeks terugblik is op te maken hoe de wijk tot stand is gekomen.
In 1947 kreeg oud-rijksbouwmeester Cees Bremer van de Rijksgebouwendienst de opdracht een samenvattend plan te ontwikkelen voor de Technische Hogeschool. Zijn plan ‘Tuinstadswijk Wippolder’ toverde de hele Wippolder om in een echte TH-wijk, waarin plaats werd ingeruimd voor huisvesting van hoogleraren, studenten en burgers. De curatoren van de TH Delft hadden daarnaast een bouwplanbureau ingesteld, dat ‘de behoefte en de gewenste locatie der gebouwen van die zijde zou omschrijven’. Het planbureau onderscheidde een satellietstelsel los van de stad en een sectorenstelsel in harmonie met de stad. Dat laatste verdiende de voorkeur. Overleg tussen Bremer en het planbureau leidde tot het besluit de uitbreiding te laten geschieden in aansluiting op het reeds bestaande complex van gebouwen rondom het De Vries van Heijstplein en ‘wel door verlenging van de weg tussen Rode en Gele Scheikunde in zuidelijke richting.’ 
In 1948 kwamen er gelden beschikbaar uit het Marshallplan. Hierdoor kwam er meer vaart in de bouwplannen. Jules Froger, die met Van Embden het gemeentelijke stedebouwkundig adviesbureau leidde, bepaalde het stramien ‘door een ongeveer honderd meter brede allee, de Mekelweg, met aan beide zijden bouwterreinen van ca. tweehonderd meter diepte, alsmede een langs de Rotterdamseweg gereserveerde strook van ca. honderd meter diepte voor bedrijfs- respectievelijk researchgebouwen’.

 

 

Stalinistische monumentaliteit

Rijksbouwmeester Friedhoff wees de architecten van de afzonderlijke gebouwen aan. Voor de centrale allee, met representatieve gebouwen, vroeg hij Roosenburg en Van der Steur; voor de meer technische gebouwen aan de Rotterdamseweg benaderde hij Van den Broek en Bakema.  De curatoren lieten zich door Zweers bijstaan voor functionele planvorming, Van den Broek en Bakema voor de architectuur en Van Eesteren voor de stedenbouw. Cees van der Leeuw, vanaf 1963 voorzitter van het college van curatoren, had van huis uit grote belangstelling voor moderne architectuur en speelde een belangrijke rol bij het verstrekken van de opdrachten voor het gebouw voor Weg- en Waterbouwkunde en de aula aan Van den Broek en Bakema.
In 1971 verdedigde Van den Broek zich tegen de luide kritiek op de Mekelweg. Lengte en breedte van deze weg zijn volgens hem niet een verschijnsel van ‘Stalinistische’ monumentaliteit. De wijdte was nodig vanwege de grootte van de bouwmassa’s en de lengte was noodzakelijk omdat de Mekelweg een noodzakelijke verkeersverbinding was. “Als zodanig is hij praktisch exclusief gedacht voor de TH-wijk, niet als royale doorgangsweg vanaf de provinciale Kruithuisweg naar het verdere Delft. Daarom zal de Mekelweg altijd meer leeg dan levend schijnen”, aldus Van den Broek.

Zoek gebouwen in Delft
Periode
Kaart
zoeken op de kaart